Zuchtend trok Jef de deur achter zich dicht. Hoewel zijn knie hem weer parten speelde, wou hij de anderhalve kilometer naar de kerk toch te voet doen. Ook al was de nachtmis ondertussen een avondmis geworden, dit bleef een herinneringstocht. Vroeger gingen ze altijd samen, met z’n drietjes. Sofietje vond het fantastisch, alleen al omdat ze zo laat mocht opblijven. Met alle lichtjes aan de huizen, en zeker als er sneeuw lag, was het extra feestelijk. Nu Jef alleen moest gaan, was de magie grotendeels weg.
De kerk was opnieuw mooi versierd. Bij de kerststal stonden elk jaar meer figuren. Nu hadden de drie koningen een kameel gekregen. Die was er voor het eerst, dacht Jef. Mensen waren er weer minder. Vroeger zat de kerk altijd tjokvol; er stonden toen heel wat mensen recht, tot op het oksaal toe.
Jef keek uit naar de homilie van de pastoor. Die vertelde elk jaar een origineel verhaal voor Kerstmis. Deze keer ging het over de werklui van de gemeente die de kerststal hadden opgebouwd. Toen ze de beelden wilden plaatsen, bleek dat ze Jezus niet mee hadden. Ze moesten helemaal terug naar de gemeentelijke opslagplaats, waar een lange zoektocht naar het beeldje begon. Pater Leo kon het grappig vertellen. Aan het eind van zijn verhaal werd hij ernstig. “Zijn wij in ons leven het Kind ook niet uit het oog verloren?” vroeg hij zijn parochianen. “Leven velen tegenwoordig niet alsof er geen God of gebod bestaat? Geven wij met Kerstmis het Kind Jezus nog een plaats, of zijn alleen de cadeaus onder de boom belangrijk?”
Stiekem trok Jef z’n zakdoek uit z’n jas en deed alsof hij zijn neus moest snuiten. Hij wou niet dat iemand zijn tranen zag. Hoe zou hij zijn kind kunnen vergeten? Zijn enige dochter, Sofie. Na de dood van Lena was het compleet mis gegaan. Leven deed te veel pijn; de verdoving van de drank duurde altijd te kort. Het lukte hem niet om Lena te vergeten.
Eigenlijk niet verwonderlijk dat Sofie zijn dronkemansbuien, de harde woorden niet meer had kunnen verdragen. Hij moest het toegeven, soms ook harde slagen. Op een dag had ze na de zoveelste ruzie een valies gepakt en was vertrokken. Sindsdien had ze niets meer van zich laten horen. Dat was nu al zeven jaar geleden. Geen brief, zelfs geen kaart met Kerstmis.
Hij was er helemaal van ondersteboven, nog altijd. Sofie was zijn oogappel. Maar wat hij ook geprobeerd had, Sofie weigerde elk contact. Al haar vriendinnen had hij gesmeekt om hem haar adres te geven; hij had hen geld geboden, dronk geen druppel alcohol meer. Maar niets had geholpen. Geen adres, geen telefoonnummer, niets. Zij vertelden hem dat Sofie veilig was en het goed stelde, maar dat ze niets meer met hem te maken wilde hebben. Ze woonde ondertussen samen met een vriend, maar hij wist niet eens of dat nog ergens in de Kempen was. Kon hij zijn kind maar weervinden. Daar zou hij al zijn mirre en goud voor geven.
Van de wierook begonnen verschillende mensen te hoesten. Zo viel het niet op dat Jef een krop in de keel kreeg toen Jezus in de kribbe werd gelegd. Was dat niet het kleinzoontje van de buren die het beeldje naar de pastoor mocht brengen? Na de consecratie schuifelde Jef mee aan voor de communie. Het koor zong nog een laatste Susa Nina na de zegen en toen was de mis gedaan. Achter in de kerk gaf pater Leo de parochianen nog een hand en als aandenken kreeg iedereen een witte kerstbal mee waarop een kind getekend was.
De klokken luidden nog volop toen Jef als een van de laatste misgangers naar buiten stapte. Vele mensen waren al vertrokken, maar rond de verlichte kerstboom stonden nog enkele groepjes te praten. Er werd ook duchtig gezoend. Hoe lang was het geleden dat hij nog …
Opeens stapte van achter een auto iemand op hem toe… Onwillekeurig deed Jef een stap achteruit. Een jonge vrouw. Nee, dit kan toch niet. Sofie? Hij had al zo dikwijls gedacht dat hij haar ergens zag. Telkens was het iemand geweest die wel een beetje op haar leek, maar nooit was het zijn Sofie.
“Dag pa. Je deed niet open. Toen dacht ik eraan dat het kerstavond was en dat je misschien wel hier was. Kan ik vannacht thuis slapen? Ik heb je veel te vertellen. Kun je me vergeven?”
Secondenlang kon Jef geen woord uitbrengen. Toen stapte hij op zijn dochter toe en nam haar sprakeloos in zijn armen. Zijn tranen vielen op haar sjofele jas. Zijn benen trilden. Na enige tijd probeerde Sofie zich los te maken. Dan zag Jef dat Sofie niet meer alleen was. Een meisje van een jaar of vijf, zes trok aan haar mouw. Naast haar stond een oud valies.
“Pa. Dit is Marie. Ze wil graag haar bompa leren kennen.”
Het begon zachtjes te sneeuwen.
Langs de baan liepen een man, een jonge vrouw met een valies en een kind, anderhalve kilometer, naar huis.
Het was Kerstmis 2011, een dag die ze nooit nog zouden vergeten.
(Paul Helsen, december 2011) |